Natuur
In de klassieke betekenis: het ongecultiveerde landschap met alle vormen van biodiversiteit, en als tegenstelling van de gecultiveerde omgeving. In oudere teksten: ‘woeste gronden’ of ‘ongerepte wildernis’.
In de Nederlandse betekenis gelden ook half-gecultiveerde landschappen als natuur, zoals bijvoorbeeld heidevelden en kruidenrijke graslanden, die afhankelijk zijn van extensieve begrazing. Half-gecultiveerd betekent niet dat deze natuurwaarden ecologisch minder betekenis hebben. Deze landschappen kunnen van grote betekenis zijn als tijdelijke verblijfsplaats voor trekvogels. Rivieren, kustlijnen en Waddenzee zijn belangrijke Nederlandse (trek)vogelgebieden.
In de wetenschappelijke betekenis van natuur: alle habitattypen en leefgebieden van soorten met een potentieel ecologische waarde.
Begrip waaraan sterk verschillende waarden worden toegekend, wat vaak samenhangt met meer of minder doordachte levensbeschouwelijke opvattingen over de verhouding van mensen tot hun natuurlijke omgeving. Bijvoorbeeld de opvattting dat het de mensen is gegeven om de natuur te beheersen, en de natuurlijke omgeving te ontginnen en cultiveren. Dan wel de opvatting dat mensen een onlosmakelijk en ook ondergeschikt deel zijn van natuur en biodiversiteit, waarbij enkel een bescheiden en respectvolle opstelling past.