Agrarisch natuurbeheer
Agrarisch natuurbeheer houdt in dat een agrarische bedrijfsvoerder zich inzet voor behoud van natuurwaarden op of rondom het desbetreffende boerenbedrijf. Denk aan beheer van kruidenrijk grasland ten behoeve van weidevogels of aanleg en onderhoud van landschapselementen zoals heggen en boomsingels. Dit kan vrijwillig, tegen vergoeding of als voorwaarde in een vergunning.
Inzet van agrarisch natuurbeheer spreekt voor zich: breng het boerenbedrijf en de bestaansvoorwaarden beter samen, en geef boeren daarbij een beheerrol. Centrale vraag wordt dan: in hoeverre is het realistisch om de belangen van het 21e eeuwse Nederlandse intensieve agrarische bedrijfsleven te verzoenen met de bestaanseisen van de Nederlandse natuur? Het antwoord op deze vraag zal per bedrijf en bedrijfstype sterk verschillen. Vervolgvraag zal dan moeten zijn: bij welke bedrijven is het niet realistisch, en wat betekent dat? En, welke voorwaarden zijn nodig voor de bedrijven die wel in aanmerking komen? Voor agrarisch natuurbeheer is kennis en motivatie nodig. Bedrijfvoerders die hiervoor de kennis en motivatie hebben zitten in veel gevallen al op dit spoor.
Heet hangijzer is de kwestie van beloning. Bij beloning hoort verantwoording, en bij verantwoording hoort administratie en controle. Natuurbeheer leent zich niet makkelijk voor een administratief reëel controleerbare (lees: voldoende eenvoudig) toezicht.
Agrarisch natuurbeheer wordt in meerdere provinciale gebiedsplannen genoemd als één van de facultatieve invullingen van doelsturing.
– Politieke duiding
Politiek gemotiveerd agrarisch natuurbeheer roept de sterke vraag op naar de grenzen van de verantwoordelijkheden van het openbaar bestuur en de besteding van publiek geld.
Als agrarisch natuurbeheer c.q. ecodiensten worden gestimuleerd met publiek geld dan bestaat het risico van een tegengesteld effect. Als subsidie wordt gegeven voor bijvoorbeeld het handhaven (het niet omkappen) van een bomengroep op agrarisch terrein, dan wordt daarmee impliciet een toestemming gegeven om die bomengroep om te hakken indien de geboden vergoeding niet opweegt tegen de nadelen. Van het geven voor een onvoldoende dekkende vergoeding om natuurelementen niet te vernielen gaat dan een perverse prikkel uit. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van boeren voor landschap en natuur wordt dan gereduceerd tot een bedrijfseconomische c.q. financiële afweging. Hierbij bestaat het risico dat deze subsidie – wellicht zelfs voor het merendeel – terecht zal komen bij boeren die deze ‘diensten’ ook zonder subsidie verlenen uit een persoonlijke overtuiging / verantwoordelijkheid.
Voor meer kezen, zie bijvoorbeeld deze webpagina van het Noord-Brabantse provinciebestuur. Positieve intenties van het provinciebestuur en een selecte groep vrijwillige deelnemers betekent niet dat daarom ook gesproken kan worden van effectief agrarisch natuurbeheerbeleid.
Agrarisch natuurbeheer kan wellicht betekenis hebben. Gewaakt moet worden voor overtrokken verwachtingen van de meerwaarde. Deze waarschuwing geldt nog los van de zorg over de realiteit van controle op voldoende naleving van de – vanwege de subsidie te administreren – ecodiensten.