Reconstructiewet
Officiële naam: Reconstructiewet Concentratiegebieden. Deze wet van 31 januari 2002 was bedoeld als maatregelenpakket om het risico van herhaling van een pandemie van dierziekten, zoals die zich rond de eeuwwisseling had voorgedaan, te beperken. In korte tijd waren meerdere grootschalige dierziekten uitgebroken, waaronder de varkenspest (1997) en mond-en-klauwzeer bij rundvee (2001). Om de pandemie in te dammen zijn toen meerdere miljoenen varkens en melkkoeien afgemaakt (in ambtelijk jargon: preventief geruimd).
Aanvankelijk was het idee om het risico van ziekteoverdracht naar andere regio’s te beperken, onder meer door varkensvrije zones. Maar gaandeweg het wetgevingsproces kwam de focus van de wet op andere problemen rond de veehouderij te liggen dan veterinaire risico’s, waaronder de natuurschade door ammoniakdeposities uit de veehouderij.
De Reconstructiewet ontwikkelde zich tenslotte (medio 2002) tot een regie-opdracht aan de de provincie- en gemeentebesturen. Voor de mestoverschotgebieden (grofweg Zuid en Oost Nederland, zie de twee kaarten) moesten reconstructieplannen worden opgesteld waarmee het buitengebied werd ingedeeld in drie verschillende zones: extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden. Daarmee zou worden bepaald waar veehouderij zich wel en niet meer kon ontwikkelen. De landbouwontwikkelingsgebieden zouden een soort agrarische bedrijfsterreinen moeten gaan worden, terwijl in de extensiveringsgebieeden de veebedrijven gestimuleerd moesten worden om te stoppen dan wel te verhuizen naar landbouwontwikkelingsgebieden.
In de wet ontbraken de noodzakelijke middelen om een serieuze beweging van veehouderij van extensiveringsgebieden naar landbouwontwikkelingsgebieden in gang te zetten: deelname was vrijwillig. Regionaal werd niet ingegrepen in het totaal aantal aanwezige dieren, met als gevolg dat de incidentele bedrijfsverplaatsingen neerkwamen op het verplaatsen van problemen. Ook omdat de beoogde emissiereducties van ammoniak en stank door de inzet van luchtwassers bij varkensbedrijven in de praktijk meervoudig lager bleek dan was aangenomen. Zie het rapport uit 2017 van de Universiteit Wageningen, ‘Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen‘ en het rapport van de commissie Biesheuvel, ‘Geur Bekennen‘. En, in de wet was niets voorzien voor de bestaande bewoners in de landbouwontwikkelingsgebieden, met als gevolg dat velen zich zwaar hebben verzet tegen de reconstructieplannen en de bedrijfsverplaatsingen. Zie bijvoorbeeld dit artikel uit 2022 ‘Hoe we lering kunnen trekken uit de Reconstructie Zandgronden‘. In de praktijk heeft de wet vooral een sterke impuls gegeven aan de ontwikkeling van megastallen zonder wezenlijk bij te dragen aan de oplossing van de milieuproblemen rond veehouderij. In 2014 is de wet ingetrokken, en wordt als mislukt beschouwd.

