Zoneringsbeleid

Sterke beperkingen van bestaande (bedrijfs)activiteiten in een zone rondom natuurgebieden, gesteld door het openbaar bestuur (rijk, provincie- en/of gemeentebestuur). Door het verminderen en voorkomen van natuurschadelijke activiteiten (beperken van de drukfactoren) kunnen de aanwezige natuurwaarden in een gunstiger staat worden gebracht. Een dergelijke zone wordt ook wel een bufferzone genoemd. Begin 2026 is dit beleid nog nergens actief.

Zonering is geen nieuw idee. In de voormalige Wet Ammoniak en Veehouderij (WAV, 2002) waren zones van 250 meter rondom alle stikstofgevoelige natuurgebieden ingesteld met (enige, maar nauwelijks effectieve) beperkingen voor veehouderij.

Ook bij de Reconstructiewet (2002) en de reconstructieplannen (2005-2008) was het de bedoeling om in zogeheten extensiveringsgebieden rondom N2000-zones veehouderij-activiteiten te beperken. Ook deze zonering heeft in de praktijk nauwelijks resultaat opgeleverd omdat onvoldoende concrete maatregelen zijn genomen en bevoegdheden zijn gecreëerd om het gewenste doel te realiseren.

Over de effectiviteit van het nieuw beoogde zoneringsbeleid bestaan grote twijfels omdat zones van slechts 250 tot 500 meter rondom een klein aantal Natura2000-gebieden worden genoemd. Uit deskundigenberekeningen blijkt dat zones van 250 tot 500 meter ernstig onvoldoende zijn om zoneringsbeleid effectief te laten zijn.

Het argument voor een zonering van 250 meter wordt ontleend aan een onjuiste lezing van onderstaande RIVM-grafiek.

depositie bron 500 meter
Figuur 1. Bron: www.rivm.nl/stikstof/stikstofdepositie

Bij oppervlakkige lezing van de grafiek lijkt die te betekenen dat buiten de 250 meter rond de emissiebron nauwelijks nog neerslag optreedt. Deze lezing is onjuist.

De grafiek zegt niet dat de depositie op afstanden boven 250 meter klein is. De grafiek zegt louter dat de depositie tot ca. 100 m van de bron heel hoog is, tot honderden molen (meervoud van mol) per hectare per jaar.

De verklaring hiervoor is dat in die eerste tientallen meters de concentratie het hoogst is. De totale depositie binnen 100 meter is echter beperkt, en wel omdat het oppervlak van de cirkel van 100 m klein is. De depositie direct bij de bron is uiteraard hoog, maar de concentratie reactief stikstof in de lucht binnen de afstand van die kleine cirkel neemt nauwelijks af. Vrijwel alle stikstof (meer dan 98%) wordt verder van de bron gedeponeerd. Zie figuur 2, die door het RIVM altijd samen met figuur 1 wordt getoond.

depositie bron percentage
Figuur 2. Bron: www.rivm.nl/stikstof/stikstofdepositie

Figuur 2 laat zien dat op 100 meter van de bron minder dan 2% van de emissies zijn neergeslagen en op 250 meter slechts 3%. Kortom, 97% van de emissies slaat neer buiten de cirkel van 250 meter.

De figuren 1 en 2 tonen dus juist aan dat zonering beperkt tot 250 meter niet veel zoden aan de dijk zet. Sluiting van een bedrijf onmiddellijk naast een Natura 2000-gebied geeft weliswaar een hoge depositievermindering binnen 100 meter. Maar dat betreft slechts die eerste 100 meter. De volgende 100 meter is de depositie door die bron al gedaald tot procenten van de hoge reductie in de eerste 100 meter. Opheffen van die bron is weliswaar zeer gunstig voor een klein perceel natuur. Opheffen van de bron is echter veel gunstiger voor de percelen op grotere afstand van de bron omdat de cumulatieve depositieafname op de natuurpercelen buiten de 250 meter veel groter is dan de depositieafname in een cirkel van de eerste 250 meter. Dit wordt geïllustreerd met figuur 3

Geetacs
Figuur 3. Bron: Geetacs

De figuur laat de depositieafname zien in mol/ha/jr door opheffen van een emissiebron van 1.300 kg NH3, overeenkomend met 100 melkkoeien. De twee cirkels staan op 250 meter en 500 meter van de bron. Hoewel binnen die cirkels de depositie sterk afneemt, is het totale effect op de natuur buiten die cirkels veel groter.

Door enkel figuur 1 te tonen zonder figuur 2 wordt onjuiste informatie gegeven.

– Politieke duiding

Het 250 / 500 meter-zoneringsdebat, met als standpunt dat de zonering beperkt dient te worden tot maximaal 500 meter, wordt sterk gevoed door LTO, de BBB en de agrosector, ondanks dat dit een veel zwaarder reductielast legt op de totale sector. Indien zou gekozen worden voor bredere zones rondom N2000-gebieden dan is landelijk fors minder emissiereductie nodig om het zelfde doel te bereiken. LTO kiest tot nu toe om strategische redenen voor een zo veel mogelijk gelijke reductieopgave voor alle veehouders, boven een zwaardere reductieopgave voor de groep veehouders binnen bredere zones. Het motief hierbij is om de verdeeldheid binnen de sector te beperken, en de politieke mobilisatie van de sector te optimaliseren. Redelijkheid en logica ontbreken, een ‘alles of niets’-strategie.

Woordenboek

Zoneringsbeleid