Artikel 6 Habitatrichtlijn
Sinds 1992 bindende regeling in de Habitatrichtlijn, op grond waarvan alle EU-lidstaten verplicht zijn de binnen het land aanwezige N2000-gebieden in ‘een gunstige staat van instandhouding’ te brengen en te houden. Het artikel bestaat uit 4 onderdelen (leden).
Artikel 6 lid 1 verplicht de lidstaten instandhoudingsmaatregelen te treffen. Dit betekent gunstige voorwaarden scheppen voor de betrokken natuurwaarden, middels concrete maatregelen, beheerplannen en omgevingsplannen. Voorbeelden zijn natuurbeheer en -herstelmaatregelen, maatregelen voor een optimale waterhuishouding en het reguleren van landbouwactiviteiten.
Artikel 6 lid 2 verplicht de lidstaten om herstelmaatregelen te treffen om – vanaf het moment van het ingaan van de gebiedsbescherming, de referentiedatum – verslechtering tegen te gaan. Dat wil zeggen: te voorkomen en (als dat niet is gelukt) zo snel mogelijk terug te draaien. Een voorbeeld is het intrekken of aanpassen van reeds afgegeven vergunningen van stikstofpiekbelasters.
Artikel 6 lid 3 omvat een vergunningplicht voor een plan of project waarbij significante (niet verwaarloosbare) negatieve gevolgen kunnen optreden voor N2000-gebieden die de instandhouding daarvan in gevaar kunnen brengen. Met significante negatieve gevolgen wordt bedoeld: gevolgen die de instandhouding in gevaar kunnen brengen. Dit moet worden vastgesteld in een passende beoordeling op basis van objectieve criteria, getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen in het aanwijzingsbesluit van het betrokken N2000-gebied en de eisen die de habitats en soorten stellen volgens het N2000 Profielendocument.
Indien in een voortoets op voorhand significant negatieve gevolgen kunnen worden uitgesloten, dan hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld en geldt geen vergunningplicht. Hierbij moeten mitigerende maatregelen buiten beschouwing worden gelaten. Indien met de voortoets significante negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten dan zal een passende beoordeling moeten worden gemaakt om te beoordelen of met de voorgenomen activiteiten significante negatieve effecten optreden, waarbij dan ook de mitigerende maatregelen mogen worden betrokken.
Artikel 6 lid 4 biedt de lidstaten de mogelijkheid om af te wijken van lid 3 op grond van een ADC-toets. Dit geldt alleen wanneer er geen Alternatieven bestaan voor het plan of project, wel Dringende redenen bestaan van groot openbaar belang, en Compenserende maatregelen zijn getroffen ter vervanging van de aangetaste natuurwaarden.
Voor de volledige tekst van de Habitatrichtlijn, zie
Voor meer ecologie-beleidsbegrippen, zie