AERIUS (-monitor, -calculator, -register)
Met het AERIUS-rekenprogramma kan voor heel Nederland stikstofdeposities worden berekend, inclusief de veranderingen. Het programma bestaat uit drie onderdelen.
Met AERIUS-monitor worden de actuele en in de toekomst (tot 2035 / 2040) verwachte achtergronddepositie berekend op basis van het bestaand emissiereductiebeleid (autonome ontwikkeling). De berekeningen beslaan heel Nederland, met uitkomsten per gridcel (hexagoon) met stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden.
Met AERIUS-calculator kan de depositie van een enkel plan of project worden berekend. Dit is het wettelijk voorgeschreven rekenprogramma bij vergunningprocedures. De rekenuitkomst noemt de depositiebijdrage van het berekende plan of project alleen in een straal van 25 kilometer rondom de projectlocatie.
AERIUS-register is het stikstofregistratiesysteem (SSRS). Het voert een stikstofadministratie voor een stikstofbank. Hiermee wordt bijgehouden wat het effect is van maatregelen en nieuwe projecten en activiteiten op de stikstofdepositie.
De uit wetenschappers samengestelde commissie Hordijk heeft in 2020 op verzoek van de toenmalige minister van LNV het AERIUS-rekenmodel beoordeeld. Het verslagrapport ’Meer meten, robuuster rekenen’ noemt het rekenmodel ‘doelgeschikt’ en in ‘overeenstemming met de bestaande wetenschappelijke inzichten’.
AERIUS wordt momenteel beheerd en onderhouden door het RIVM. Voor meer informatie, zie:

– Politieke duiding
In het politiek debat wordt zwaar geschut ingezet om het AERIUS-rekenmodel in diskrediet te brengen. Dit loopt momenteel hoofdzakelijk middels het begrip Rekenkundige Ondergrens (RKO), met de – omstreden – claim dat de rekenuitkomsten onder een bepaalde grenswaarde minder betrouwbaar zouden zijn dan boven een grenswaarde. Over die stelling bestaat geen wetenschappelijke consensus, en kan daarom niet gevolgd worden in het vergunningenspoor. Zie hierover de lemma ‘Rekenkundige Ondergrens’.
Het debat over de bruikbaarheid en betrouwbaarheid van het AERIUS-rekenmodel is in essentie een wetenschappelijk debat. Het is zelden verstandig om politici een wetenschappelijk debat te laten voeren indien daarbij duidelijke politieke motieven een rol spelen. Het politieke motief in de discussie over AERIUS is om zo veel mogelijk projecten vrijgesteld te krijgen van een vergunningprocedure. Het problematische gevolg hiervan is dat in die gevallen de stikstofdeposities weer ongecontrolleerd kunnen toenemen, terwijl een forse reductie is vereist.
Het in discrediet brengen van het AERIUS-rekenmodel roept verbazing op. Indien het rekenmodel in het geheel niet meer gebruikt zou kunnen worden, dan kunnen ook geen vergunningen meer worden verleend. Dan worden alle stikstofgerelateerde projecten onvergunbaar. Immers, het is een onomstreden wetenschappelijk gegeven dát stikstofemissie zullen neerslaan op stikstofgevoelige N2000-gebieden, waaruit de wettelijke plicht volgt om de ecologische gevolgen daarvan te beoordelen. AERIUS is daarbij momenteel het best beschikbare hulpmiddel.
Zonder AERIUS raken zouden we verder van huis raken. Het aanvechten van het rekenmodel moet daarom een destructieve strategie worden genoemd, met als kennelijk doel de uitstel van noodzakelijke maatregelen. Ook roept het ter discussie van het rekenmodel verbazing op. Voor de beoordeling van geluid, stank en veel andere milieustoffen worden in het kader van vergunningverlening al decennia rekenmodellen gebruikt, zonder dat het onderwerp is gemaakt van politiek debat.
Niet alleen het AERIUS-rekenmodel staat in de vuurlinie. Een vergelijkbare discussie speelt rond de KDW-en en de natuurdoelanalyses (NDA’s). Door het in twijfel trekken van de wetenschappelijke basis van het stikstofbeleid wordt het debat afgeleid van de politieke kernvraag: hoe worden de emissies effectief en met de minst mogelijke maatschappelijke schade voldoende, tijdig en geborgd (verzekerd, onomkeerbaar) gereduceerd?