Agrarisch bedrijfsleven
Het agrarisch bedrijfsleven is onder te verdelen in verschillende bedrijfstakken, met elk een eigen karakter en marktomstandigheden. Visserij wordt doorgaans niet als agrarische activiteit beschouwd. In 2024 noemt het CBS de volgende categorieën en aantallen bedrijven.
- 24.200 graasdierbedrijven (hoofdzakelijk melkvee)
- 3.400 hokdierbedrijven (hoofdzakelijk varkens, kippen en mestkalveren)
- 11.300 akkerbouwbedrijven (alle soorten groenten, aardappels enz. en veevoer)
- 6.500 tuinbouwbedrijven (kasteelt)
- 1.400 blijvende teeltbedrijven (fruitbomen, paddenstoelen)
- 2.900 combinatiebedrijven
Over de rol en betekenis van de landbouw en veehouderij circuleren in het politiek debat sterk verschillende beelden. Een zorgvuldige ordening van de relevante feiten zou die verschillende beelden meer bij elkaar kunnen brengen.
De veehouderij is verreweg de belangrijkste binnenlandse stikstofemissiebron (62%, die 75% van de deposities op N2000-gebieden veroorzaakt) als gevolg van de mestproductie van de landbouwhuisdieren. Grasland en akkerbouw zijn de belangrijke mestafnemers, de mest wordt uitgereden als voedingsstof voor gras- en akkerbouwgewassen.
De agrarische sector bewerkt in totaal ca. 60% van de Nederlandse bodem, en vormt 2% van de Nederlandse beroepsbevolking. Ca. 60% van de Nederlandse veehouderijproducten is bestemd voor de export. Veehouderij-ondernemers zijn na aftrek van schulden gemiddeld miljonair (bron: www.agrimatie.nl).
Kassenteelt (gasverwarming) en visserij (dieselmotoren) spelen als NOx-bronnen bij stikstofdepositie een beperkte rol.