Drijfmest
Mengsel van vaste en vloeibare mest van landbouwhuisdieren, vaak met toevoeging van spoelwater uit stallen. Synoniem: gier of dunne mest. Verpompbaar, opgeslagen in mestkelders, mestsilo’s of grote mestzakken in open veld. De nutriënten- of mineralen samenstelling is sterk afhankelijk van diersoort en voeding.
In 2024 veroorzaakt de Nederlandse veestapel 77 miljoen ton mest. Daarvan is het aandeel drijfmest 95%. In Europees verband is dit een uitzonderlijk hoog percentage.
Van deze drijfmest wordt ruim 90 % op het land uitgereden, de rest wordt bewerkt of verwerkt.
Drijfmest speelt de eigenlijke hoofdrol in de Nederlandse stikstofkwestie. Ammoniakemissies ontstaan door het mengen van vaste mest met urine. Door dat mengen wordt ureumstikstof in de urine door enzymen omgezet in ammoniak.
Behalve als stikstofbron heeft het uitrijden van drijfmest negatieve effecten voor het bodemleven, ook als dat conform de normen van de Meststoffenwet wordt gedaan. Dit hangt samen met de hoge concentraties mineralen, het lage percentage organische stoffen, de wijze van uitrijden middels injectie en grondsneden en de uitspoeling van het mineralenoverschot. De Nederlandse drijfmestpraktijk is ontstaan in de jaren zestig / zeventig van de vorige eeuw. Voorheen werd de vaste stalmest (met stro: ruige mest) op een mesthoop apart gehouden. Om arbeid te besparen is men veelal overgegaan op de opslag van drijfmest.

Bron: www.clo.nl/indicatoren/nl010431-mestproductie-door-de-veestapel-1986-2024
Ruige mest bevat veel voedingsstoffen in de vorm van plantenresten. Dat is organische stof, de motor van het bodemleven. Verteren van ruige mest in de bodem vraagt meer tijd dan drijfmest. De werking voor cultuurgewassen is daarom makkelijker te plannen met drijfmest. Nog weer een stap verder in productie-efficiëntie is kunstmest, dat nog minder bijdraagt aan het bodemleven dan drijfmest.