Compenserende maatregel
Maatregelen die zijn gericht op het compenseren van de schadelijke gevolgen van een plan of project, zodanig ‘dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft’. Deze maatregelen zijn een voorwaarde voor vergunningverlening indien met een beroep op artikel 6, vierde lid Hrl toestemming wordt verleend voor een plan of project als gevolg waarvan significante schadelijke effecten niet kunnen worden uitgesloten. Onderdeel van de ADC-toets.
Met de ADC-toets gelden drie voorwaarden. Er mogen (1) geen alternatieven zijn voor het plan of project, (2) dwingende redenen van openbaar belang maken het plan of project noodzakelijk en (3), compenserende maatregelen worden getroffen voor de beschadigde natuur.
In de praktijk betekent dit dat de verwachte afname van omvang en kwaliteit van de beschermde natuur in minimaal dezelfde mate in (hetzelfde of een ander) N2000-gebied moet worden gecompenseerd. De compensatie betreft de specifieke habitats en soorten, dus niet ‘de natuur’ in zijn algemeenheid; er kan dus ook geen sprake zijn van een uitruil tussen het aangetaste natuurtype en een ander natuurtype. In principe moet de vervangende natuur al aanwezig zijn op het moment dat de aantasting aanvangt (zodat zeker is dat er daadwerkelijk effectief is gecompenseerd).
Nadrukkelijk te onderscheiden van de mitigerende maatregel. Dan worden de schadelijke effecten niet gecompenseerd, maar beperkt of weggenomen, waardoor compensatie niet of minder nodig is. Daarmee zou dan een beroep op de uitzondering van Hrl 6:3 omzeild worden, zodat ook de andere eisen uit de ADC-toets geen rol spelen: aantonen dat alternatieven ontbreken en sprake is van een dwingend openbaar belang.
Zie ‘Rekenregels natuurcompensatie’: