Grondgebonden veehouderij
Met grondgebonden veehouderij wordt bedoeld dat over voldoende grond wordt beschikt om circulair met veevoer en mest te kunnen werken. (Te) simpel gezegd komt dit neer op twee voorwaarden: 1) het veevoer kan geproduceerd worden op eigen terrein, 2) de mest kan binnen de geldende mestnormen uitgereden worden op eigen terrein.
Grondgebonden veehouderij kan onder voorwaarden een middel zijn om een evenwicht te creëren tussen veehouderij (zowel grondgeboden alsook hokdierbedrijven) en omgevingsbelangen, Een cruciale voorwaarde is de handhaafbaarheid van de norm.
– Politieke duiding
Grondgebonden veehouderij kan een oplossing voor het mestoverschot betekenen, mits een norm wordt gesteld die overeenkomt met het mestopname-vermogen van de Nederlandse agrarische grond. Die norm kan worden vastgesteld, en op basis daarvan kan het maximaal aantal te houden dieren worden vastgesteld. Varabele hierbij is de geproduceerde mestkwaliteit, die sterk afhankelijk is van het veevoer.
Deze route zal op zware weerstand stuiten van de mestmakelaars, mesttransporteurs en de mestverwerkingsindustrie. Zij verdienen immers aan het mestoverschot. De politieke discussie moet daarom zijn: dient een bedrijfstak in stand te worden gehouden die verdient aan een probleem zonder het op te lossen? Het mestoverschot maakt mest tot afval in plaats van een waardevol poduct.
Deze maatregel houdt indirect verband met de discussie over de mogelijke omvang van de Nederlandse veestapel binnen de bestaande natuur- en milieugrenzen, met inbegrip van onze drinkwaterkwaliteit.